Een plaat komt binnen met een 3.1-certificaat en een stempel. Zodra we er tien onderdelen uit snijden, draagt er nog maar één dat stempel. Overstempelen zorgt dat de andere negen hun herkomst houden.
Wat een stempel vastlegt
Op elke plaat staat een combinatie van staalsoort, chargenummer en plaatnummer. Die gegevens koppelen het stuk staal aan het certificaat van de walserij: de chemische samenstelling, de treksterkte en de kerfslagwaarde.
Zolang het stempel zichtbaar is, kan iedereen in de keten nagaan welk certificaat bij het materiaal hoort. Valt het stempel weg, dan is het deel juridisch gezien onbekend materiaal.
Hoe wij overstempelen
Voordat we snijden, noteren we de gegevens van de moederplaat in de order. Na het snijden slaan we die gegevens met een slagletterset in elk onderdeel, op een plek die na montage zichtbaar blijft of die je zelf aangeeft op de tekening.
Bij dunne delen of oppervlakken die later gestraald en gecoat worden, overleggen we vooraf waar het stempel komt. Soms is een gegraveerd label of een lasermarkering de betere keuze.
Wanneer het verplicht is
Voor drukvaten, constructies onder EN 1090 en werk dat door een klassenbureau gekeurd wordt, is herleidbaarheid geen extraatje maar een eis. Zonder stempel keurt de inspecteur het deel af, ook als het materiaal zelf in orde is.
Voor niet gekeurd werk is overstempelen niet verplicht, maar het voorkomt verwarring zodra delen van verschillende platen door elkaar op de werkvloer liggen.
Kort samengevat
Elk gesneden deel krijgt het plaat- of chargenummer van de moederplaat mee. Zo blijft het 3.1-certificaat geldig voor ieder onderdeel en kan je keurmeester de herkomst altijd terugvinden.